20 Mei 2021: Reactie van Stichting Behoud het Weteringgebied op Nota Zienswijzen en voorgestelde ambtshalve wijzigingen Paraplubestemmingsplan Windturbines

Op 20 Mei 2021 reageert De Stichting Behoud het Weteringgebied met de onderstaande brief:

Belangrijkste punten van aandacht 

De Stichting Behoud het Weteringgebied constateert dat in de reactie op de zienswijzen de uniekheid van het Langbroekerweteringgebied onderstreept wordt terwijl er tegelijkertijd een duidelijke intentie is om windmolens te faciliteren. Wij vinden dat het plan gebrekkig in elkaar steekt en hebben verschillende belangrijke bezwaren en gevoelens van verwondering en verontrusting.

 

Wij vragen daarom dringend actie op de volgende punten:  

  1. In de Nota (dd. 30 april 2021) is de intentie bevestigd om maximaal 1 windmolen te vergunnen in het Langbroekerweteringgebied.  Dit terwijl in het persbericht van de gemeente Wijk bij Duurstede (dd. 11 mei 2021) wethouder Hans Marchal zegt: “Op dit moment ligt er 1 concreet verzoek van een boer voor een erfmolen in het Langbroekerweteringgebied. Vandaar dat we 1 kleine windmolen willen toestaan. Daar houden we het vooralsnog bij. We zien dit als proef. Met het gebied gaan we in gesprek of er in de toekomst misschien een paar kleine windmolens bij kunnen komen. Deze standpunten zijn in direct conflict met elkaar en geven aan dat de intentie van de wethouder is om meerdere windmolens mogelijk te maken ondanks het gebrek aan draagvlak en het gecommuniceerde college besluit. Tevens is de redenering van de Wethouder “Op dit moment…1 concreet verzoek…. Vandaar dat we 1 kleine windmolen willen toestaan” geen enkele inhoudelijke onderbouwing waarom juist deze windmolen wel wordt toegestaan en zet het duidelijk de deur open voor meer verzoeken. Met een eenvoudig beroep op het gelijkheidsbeginsel is een vergunning voor een windmolen door een (agrarische) ondernemer af te dwingen. Wij blijven tegen kleine (of grotere) windmolens in het Langbroekerweteringgebied.

  2. Het buitengebied wordt in het plan als geheel behandeld. Er wordt geen onderscheid gemaakt tussen de verschillende deelgebieden in de gemeente, terwijl deze zeer divers zijn. Er wordt geen visie geformuleerd over het unieke Langbroekerweteringgebied. Met een goede (omgevings-) visie en een uitgewerkt beleidskader zou de hoognodige duidelijkheid en zekerheid geschept worden. In het huidige plan blijft het zeer waarschijnlijk dat met windmolens inbreuk gemaakt gaat worden op het unieke karakter van het Langbroekerweteringgebied. Het voorgestelde paraplubestemmingsplan is gebrekkig en moet niet van toepassing zijn op het Langbroekerweteringgebied.

  3. In het artikel in het AD (dd 28 april 2021) wordt door wethouder Hans Marchal gezegd dat een kleine windmolen in het Langbroekerweteringebied een ashoogte van 15 meter zal krijgen. Desondanks is het collegebesluit daags later dat windmolens een ashoogte van 20 meter mogen krijgen. Hoe valt deze uitspraak van de wethouder te rijmen met die uit de Nota en het collegebesluit? Het is veelzeggend voor de gebrekkige communicatie en het proces gevolgd door het college. 20 meter ashoogte is te hoog en te ingrijpend voor het gebied.

  4. Het college wil voor het hele buitengebied, dus ook de Langbroekerwetering, een ‘ja, mits’-benadering hanteren voor windmolens. Wij zijn van mening dat binnen kwetsbare en waardevolle natuur- en cultuurhistorische gebieden het uitgangspunt ‘nee, tenzij’ moet blijven. Wij vinden het onverantwoordelijk en onacceptabel dat het kwetsbare en unieke Langbroekerweteringgebied op deze wijze blootgesteld wordt aan inbreuk makende initiatieven.

  5. Het nu voorgestelde parapluplanbestemmingsplan maakt het vergunnen van windmolens makkelijker terwijl dat nu ook al via de met meer waarborgen omklede Wabo-procedure kan. Makkelijker is niet altijd beter! Wij zijn tegen het vereenvoudigen van het proces om windmolens in het Langbroekerweteringgebied te kunnen plaatsen.   

  6. Stiltegebied: in het plan worden windmolens verrassend genoeg gedefinieerd als ‘gebiedseigen’ in het gebruik bij agrariërs, waarmee de geluidsproductie simpelweg niet meer onder de wettelijk vastgestelde stilteafspraken hoeft te vallen. Oftewel, er zijn geen toepasbare geluidsbeperkingen en de boer mag met de windmolen inbreuk maken op alle bestaande Stiltegebied afspraken. Wij zijn hier fel tegen. In het kader van duurzaamheid en leefbaarheid voor mens en natuur hebben we het Stiltegebied (met alle voor- en nadelen van dien) vele jaren beschermd. Het is volledig ongepast om hier voor windmolens inbreuk op te maken.

  7. In het voorgestelde plan wordt heel veel gedelegeerd aan adviseurs. Dit roept vragen op als: hoe gaat dit aanstellen van adviseurs in de praktijk, zijn deze adviseurs onafhankelijk, naar wie gaan de bevindingen en hoe en wie neemt de beslissing o.b.v. het advies. Ook is aangegeven dat ‘positief advies’ niet langer nodig is. Wij wensen een heldere omschrijving van processen, adviestrajecten, inspraak en besluitvorming. De huidige opzet nodigt uit tot willekeurige interpretatie en toepassing. Bij neutraal of negatief advies dient de windmolen niet vergund te worden.    

  8. Het plan om 1 molen (“de enige in het Weteringgebied”) te vergunnen op locatie Gooyerdijk 21 te Langbroek lijkt volledig willekeurig vastgesteld te zijn en het is tevens opmerkelijk dat een extern onderzoeksbureau  (SAB, de schrijver van de Nota) heeft vastgesteld dat Gooyerdijk 21 ‘de enige’ zou moeten zijn. Waarom? Hierbij is ook de vraag hoe vol te houden is dat andere (agrarische) ondernemers in buitengebied geen windmolens mogen plaatsen? De redenering van de Wethouder “Op dit moment…1 concreet verzoek…. Vandaar dat we 1 kleine windmolen willen toestaan” geeft geen enkele inhoudelijke onderbouwing waarom juist deze windmolen wel wordt toegestaan en zet het duidelijk de deur open voor meer verzoeken. Dit bevestigt onze grote zorg dat de windmolen initiatieven volledig willekeurig worden behandeld en dat andere (agrarische) ondernemers met een eenvoudig beroep op gelijkheidsbeginsel een vergunning kunnen afdwingen. Zo komt het Langbroekerweteringgebied toch nog vol te staan. Hier is verschillende jurisprudentie over en geeft daarmee geen enkele bescherming. Wij blijven tegen kleine (of grotere) windmolens in het Weteringgebied.

  9. In het plan mag de windmolen slechts voorzien in het eigen energiegebruik van de aanvrager en commerciële exploitatie is uitgesloten (‘uitsluitend ten behoeve van het verbruik van het agrarische bedrijf…, voorkomen dat windturbines worden geplaatst om er een verdienmodel van te maken’). In de Nota wordt expliciet opgemerkt dat de aanvrager dit niet hoeft aan te tonen of te bewijzen. Waarom vindt hier geen controle op plaats?  Bijvoorbeeld t.a.v. de hoogte van het energieverbruik, is de ruimte voor zonnepanelen al ingevuld, is het alleen voor eigen gebruik (nu en in de toekomst) etc.? Dit werkt willekeur en misbruik in de hand.

  10. Natuurnetwerk Nederland-gebied (NNN) wordt uitgesloten van de bouw van windmolens, maar niet expliciet als zodanig opgenomen (omdat dit ‘te ingewikkeld’ is) in het plan. Dit is paradoxaal, want om dit gebied te beschermen moeten we het expliciet benoemen. NNN moet expliciet uitgesloten worden in de plannen en in de Beleidsnota als mogelijke locatie voor bouw windmolens. 

  11. Draagvlak creëren voor windmolens: de initiatiefnemers hebben een inspanningsverplichting om voor draagvlak te zorgen. Zoals beschreven in de Nota dient dit aantoonbaar en verifieerbaar gemaakt te worden. De initiatiefnemer kan dit aantonen met aan te leveren verslagen van bewonersbijeenkomsten, door inzicht te geven in hoe het plan is verrijkt met de inbreng en wensen van de omgeving en/of door middel van handtekeningen van omwonenden onder een verklaring van geen bezwaar (blz. 60 en 61 van de Nota). Ondanks deze kraakheldere verwoording in de antwoorden in de Nota, wordt voor het plan voorgesteld om op te nemen dat slechts ‘bewijs moet worden geleverd van het feit dat de direct omwonenden (buren) zijn ingelicht.’ (blz.81). Het slechts informeren van buren is absoluut onvoldoende als inspanningsverplichting en ondermijnt de eis om voor draagvlak te zorgen bij omwonenden. Dit moet aangescherpt worden om meer waarborgen te garanderen. De wisselwerking met het volgende punt (‘omwonenden’) is ook heel belangrijk voor hoe breed het draagvlak dient te zijn.

  12. Waar voorheen ‘omwonenden’ breder gedefinieerd werd (“onder omwonenden worden in ieder geval verstaan eigenaren van percelen die direct zicht hebben op de windturbine”) wordt nu voorgesteld dit te vervangen door: “onder omwonenden worden in ieder geval verstaan de eigenaren van percelen die direct grenzen aan het perceel waarvoor een omgevingsvergunning voor een kleinschalige windturbine wordt aangevraagd’ (Blz. 80). Beperken van de definitie ‘omwonenden’ tot directe buren/aangrenzende percelen is een grove inperking van het recht van eigenaren en buurtbewoners om gehoord te worden als ze bezwaar hebben tegen het bouwwerk. Dit doet geen recht aan het feit dat een windmolen van 25 tot 30 meter tiphoogte een enorme inbreuk kan zijn op het levensvreugde van omwonenden en lijkt puur geformuleerd te zijn om de kring met mogelijke insprekers en mogelijke bezwaarmakers te beperken.  

  13. In het plan en de Nota wordt het opnemen van een hardheidsclausule voorgesteld waarmee het college te allen tijde kan afwijken van de afspraken. Het voorgestelde paraplubestemmingsplan zit dusdanig slecht in elkaar en het college is op het onderwerp van windmolens zo weinig consistent m.b.t. behandeling Langbroekerweteringgebied dat we de bescherming eisen van waterdichte afspraken. Ter voorkoming van willekeurige toepassing en discussies later wensen wij geen afwijkingen van het plan en dus ook geen hardheidsclausule. 

  14. Definitie agrarisch bedrijf (blz 83): een bedrijf dat is ingericht voor zowel de grondgebonden als niet-grondgebonden activiteiten: het telen van gewassen, boomteelt daaronder begrepen, of het houden van dieren, één en ander ten behoeve van het voortbrengen van producten’. Wij zijn van mening dat de kwalificerende agrarische activiteiten altijd grondgebonden moeten zijn. Niet-grondgebonden activiteiten (bv loonwerk) dienen op een gepaste locatie, bv op een industriegebied plaats te vinden. Dit ook ter voorkoming van de overmatige ontwikkeling van niet-agrarische bedrijfsmatige activiteiten in het buitengebied.   

  15. In de Beleidsnota en het bestemmingsplan wordt het verlenen van de omgevingsvergunning afhankelijk gesteld van een ‘landschappelijk inpassingsplan’. De term ‘landschappelijke inpassing’ leidt tot verwarring. Een windturbine laat zich immers niet landschappelijk inpassen. Zodoende wordt de term ‘landschappelijke inpassing’ vervangen door de term ‘landschappelijke kwaliteitsverbetering’. In ruil voor de bouw van een kleinschalige windturbine dient de initiatiefnemer op eigen erf een (gebiedseigen) landschappelijke kwaliteitsverbetering aan te brengen. Klinkt sympathiek maar wat moeten we ons voorstellen van (gebiedseigen) landschappelijke kwaliteitsverbetering op eigen erf? Graag concretiseren.

  16. Op dit moment wordt nergens beschreven wat er dient te gebeuren met de turbine bij verkoop, bedrijfsbeëindiging of functiewijziging van de (agrarische) onderneming? Zo wordt ook niet benoemt wie er (wanneer) verantwoordelijk is voor het afbouwen van de turbine als deze niet meer gebruikt wordt. Wij verwachten dat de conditie altijd zal zijn dat zodra de identiteit van de eigenaar, of de functie van de turbine, of de functie van het perceel wijzigt de vergunning van de windmolen geëvalueerd dient te worden en bij niet kwalificeren dient te worden afgebroken.     

  17. Tenslotte: we ondersteunen het plan zoals geformuleerd in de Beleidsnota dat eerst de daken van de bebouwing optimaal benut moeten worden ten behoeve van zonne-energie alvorens over windmolens kan worden gedacht. Een studie van het buitengebied (evenals van het Industrieterrein Broekweg) levert een indrukwekkend lege aanblik van grote bedrijfsdaken op. We verwachten dan ook dat dit serieus genomen wordt en dat de toevoeging “indien mogelijk” niet een alternatieve route biedt. ​